ms Phobos

Kapitein Kramer

Een opmerkelijk verhaal wat jaren later een wonderlijk vervolg kreeg in de “Meerpaal”, een afdeling in een verpleeghuis.

Het verhaal begint in 1957. Als 3e scheepswerktuigkundige deed ik dienst op de “Rufina”, die tussen Curaçao en het Meer van Maracaïbo pendelde. Na op 13 mei 1957 4000 ton olie te hebben geladen, werd ’s avonds tegen zessen de terugreis naar Curaçao aanvaard. Bij het verlaten van het Meer van Maracaïbo en even voordat open zee werd bereikt, werd ik op de brug geroepen om een defect aan een navigatielicht te verhelpen. Daar mee bezig, drong het tot mij door dat de kapitein en de stuurman van de wacht erg onrustig werden. Enkele ogenblikken later zag ik de reden. Een tegemoet komende tanker die, als hij zijn koers niet zou veranderen, erop aankoerste dat een aanvaring tussen beide schepen niet zou uitblijven. Er verliepen spannende minuten, maar ondanks pogingen dit te voorkomen, ramden rond half acht de tankers elkaar. Er volgde een zware explosie en gelijktijdig zoefde een alles verzengende steekvlam over het voorschip van de “Rufina”. De gevolgen voor de beide schepen en opvarenden was rampzalig en voert hier te ver om te beschrijven. (zie het complete verhaal in "Dag meneer, koud hè, buiten")

De dicht in de buurt varende dredger de “Sandpiper”, was getuige van de ramp en gelukkig duurde het niet lang dat de eerste stuurman en een bemanningslid van dit schip met een werkbootje langszij kwam om de zwaar gewonden, onder wie de kapitein, de tweede stuurman, acht matrozen en de niet gewonde bemanningsleden te redden. Op de tegenligger, wat de Noorse tanker “Thorun” bleek te zijn, werd onder meer een matroos vermist, die later dood aanspoelde op de Venezulaanse kust.

Van de op dat moment nog niet zinkende “Rufina”, bleven de eerste stuurman, de derde stuurman en ik, alle drie lichtgewond, en de niets mankerende tweede werktuigkundige aan boord. Door niet zichtbare averij onder de waterlijn, maakte de” Rufina” aanvankelijk alleen slagzij, maar allengs verdween het voorschip onder water. Goed twee uur na de aanvaring met de Thorun, ging ze ten onder, alleen nog drijvend op de machinekamer en moesten ook mijn collega’s en ik het schip verlaten...

Het leven nam zijn beloop en 58 jaar later bracht het lot mij naar Verpleeghuis Nicolaas in Lutjebroek, waar mijn vrouw in afdeling de DEEL liefdevol wordt verzorgd. Tijdens een van de bezoeken aan haar vertelde een verzorgster dat er in de “Meerpaal” ook iemand was die gevaren had. Ene meneer Kramer. De naam zei me niets, maar ik ging natuurlijk even bij hem buurten en mede door zijn toevallig aanwezige zoon, kwam ik er achter dat de mij onbekende meneer Kramer de eerste stuurman van de “Sandpiper” was, die bijna alle bemanningsleden van de “Rufina” van boord haalde! Hoe wonderlijk kan het gaan in het leven.

Na een zeemansleven, waarvan vele jaren als kapitein, heeft die eerste stuurman van toen heel toepasselijk voor een zeeman, aangelegd in de “Meerpaal”. Uit respect voor zijn reddingsdaad 58 jaar geleden, heb ik zijn verzorgster gevraagd hem voortaan niet meer met meneer, maar met Kapitein Kramer aan te spreken.

(Oud-scheepswtk Henk Kerkhof <nylon@planet.nl>)