ss Conchita

Weemoed

In 1960 nam Onze Rederij NV, op dat gegeven moment een van de grootste van Nederland en later qua tonnage zelfs nummer één, het eigen nieuwe kantoorgebouw in gebruik. Enige tijd nadat de centrale directie de belangrijke beslissing om nieuw te bouwen had genomen lag het langgerekte kantoorgebouw op de hoek van het Hofplein, naast en evenwijdig aan de Schieweg. Waarschijnlijk in opdracht van de hoofddirectie van de moedermaatschappij in Den Haag onder het mom van het gezegde 'de een zijn dood is de ander zijn brood' werden op grote hoogte kamers met uitzicht op het zuiden voor de leden van de directie gereserveerd.

Zij konden zich in de zomerse warmte al smorend langzaam overgeven aan mijmeringen over hun pensioenplannen ondertussen het drukke verkeersgewoel en de, in de zomer steeds luchtiger geklede vrouwtjes op het pleintje bekijkend. Een pleintje, dat in de loop der jaren uitgroeide tot een machtig verkeersplein. Men moet hierbij niet vergeten, dat niet alleen bij het vlootpersoneel maar ook bij het walpersoneel terecht of onterecht de gedachte was ontstaan, dat sommige directieleden werden aangesteld op basis van hun pensioengerechtigde leeftijd. Een punt in hun carrière, dat bij de aanstelling soms niet erg ver weg bleek te zijn. Sommige, overigens natuurlijk bekwame directieleden waren waarschijnlijk na enige tijd zelfs zeer verbaasd, dat er gewerkt moest worden. Uitzonderingen bevestigden in deze natuurlijk de regel. In de nadagen kwam er zelfs een echte directeur, één van de vloot!

Vanuit deze op het zuiden gelegen kamers keek men na verloop van tijd uit over een van de drukste verkeerspleinen van Rotterdam en recht het zeegat in. Namelijk recht in de 'oude' binnenstad. Het gebouw was helaas nog niet hoog genoeg om de havens te zien, maar in de richting kijken gaf gezien het aantal tuur uren per jaar blijkbaar reeds een kik. Verder was het natuurlijk voor de directie van uitermate groot belang onmiddellijk op de hoogte te zijn wanneer, na het voeren van zware disciplinaire gesprekken de geschokte, huiswaarts kerende vlootmens op weg naar het Centraal Station van ellende onder de tram van lijn 14 zou lopen. Daarna was het voor de directie niet direct interessant meer, 'uit het zicht uit het hart', en het volgende gesprek werd gepland. Het vloot- en het lagere walpersoneel noemde in die dagen deze kijkers in het 'Hofplein theater' de 'Hofplein kijkers'. Tot aan de verhuizing naar de Alexanderpolder in de tachtiger jaren, toen was het tramgevaar eindelijk geweken, bleek het vlootpersoneel toch stress bestendiger te zijn geweest dan waarschijnlijk door het kantoorpersoneel werd ingeschat.

Zij bereikten altijd na de moeilijkste gesprekken en zelfs na de steeds overvloedigere feestjes op eigen kracht het Centraal Station of de dichtst bij zijnde kroeg. Als noviteit hield men bij de bouw van het kantoor rekening met de invloed van de zon op mooie zomerse dagen. Air conditioning werd aangebracht. Maar al ras bleek deze installatie ontoereikend om de temperatuur in de kamers op het zuiden in de hand te houden. De zomerse hitte kon alleen redelijk binnen de perken worden gehouden door het noodgedwongen neerlaten van de later speciaal aangebrachte luxaflex zonwering in dichte stand. Helaas moesten op die neergelaten momenten de leden van de directie drukke werkzaamheden veinzen, terwijl zij bij geopende schermen betrapt op het naar buiten staren altijd nog konden stellen, dat men het beleid voor de toekomst bepaalde of tegen een meerdere konden zeggen: 'ik denk', waarop de 'bezoeker' dan haastig vertrok om dit kostbare moment niet verloren te laten gaan.

De lagere goden waarvan denken door hun chefs vaak als een soort overtreding kon worden beschouwd hadden niet de mogelijkheid dergelijke intelligente argumenten ter tafel te brengen, wanneer zij door hun chef werden betrapt op het in gemeenschap naar buiten staren. Zij leken ook tijdens de open zonwering momenten druk bezig door alle in de inbak ontvangen stukken, zoals brieven, circulaires, etc. altijd op een grote hoop op een goed zichtbare plaats van het bureau te leggen alvorens ze na verloop van tijd via de uitbak af te voeren. Om niet op te vallen ververste de bezige bij de stapel door het bovenste stuk dagelijks onderop te leggen. Achter de in eerste instantie tot een hoge stapel opgebouwde papierkraam kon men dan dromend over een reeds tientallen keren gelezen stuk filosoferen over de toestand op het plein of door de vingers glurend de harde werkelijkheid aanschouwen.

Overigens toen later na de verhuizing naar het andere nieuwe naastliggende veel hogere gebouw van managers werd verwacht dat zij ook werkten namen zij dit gedrag over en duurde het veel langer voordat stukken de lijn ingingen. Het principe, dat een manager zijn zaken in de hand had met een leeg en gedelegeerd bureau werd ouderwets. Naast zonneschijn en de daarbij behorende zomerse hitte kon het ook in en om het nieuwe 'Hofplein theater' goed somber zijn en vooral hard waaien. Binnen vanwege het van tijd tot tijd door de directie of nog erger door de marine coördinator uit Londen noodzakelijk gevonden oppeppen van de discipline als uitvloeisel van de zoveelste bezuinigingsronde. Bezuinigingsronden die er in de eind jaren vijftig en begin jaren zestig toe leiden dat aan de wal tewerkgestelde gezagvoerders zelfs de kleinste verfkwastjes aan boord inventariseerden. Buiten vanwege het 'je jan' zeeklimaat met zijn stormachtige uitwassen, waarbij de orkaanwinden tussen de hoge bebouwing rondom het Hofplein door gierden en werden opgezweept tot boven kracht twaalf. Maar deze laatste momenten vormden voor de directieleden en natuurlijk de andere medewerkers van mannelijke kunne, die uitzicht hadden over het Hofplein of een gedeelte ervan, een net zo interessant tafereel als de zonnige kant van het leven. Vooral in de tijd van de met wijde rokken fietsende personen van vrouwelijke kunne was het een afleiding van de dagelijkse sleur om over de open winderige vlakte te staren en te kijken naar de gymnastische capriolen van de dames die met beide handen aan het stuur de rok in bedwang probeerden te houden.

Met deze beelden uit het verleden voor ogen stond ik ergens in 1996 voor de schuifdeur van het rederijkantoor van Onze Rederij (inmiddels) BV. De BV stond na de invoering bij sommige leden van het vlootpersoneel voor Behouden Vaart (naar het pensioen). Een ideaal dat inmiddels al metterdaad tot het verleden behoorde. Een voor ongeveer vijftig kantoormensen opgezet gebouw in 1986 noodgedwongen door de niet ophoudende bezuinigingen betrokken met tachtig leden en nog enige in het gebouw ernaast oogt vervallen en leeg. 'Na verloop van tijd groeien ze er wel in', was het motto van de directie en de ruimte verdeler (ondergetekende). Het is er stil geworden. Een bord voor de oprit geeft aan, dat het redelijk modern ogende gebouw 'te huur' is. Achter de ramen met de gedeeltelijk gesloten verticale gordijn strippen lijkt het doods en onbewoond. Hier en daar brandt gelukkig nog licht. Het zag er uit als een achenebbisj kantoortje van een obscuur rederijtje, ergens ver van de zee in een achteraf buurt van Rotterdam. Zelfs de 'sjanghai'-kroeg om de hoek ontbreekt niet. Een Chinees restaurant met die naam ligt op loopafstand! Een soort rederij, waar je vroeger alleen ging varen wanneer je elders was uitgerangeerd of wanneer je het echte ruige zeemansleven wilde meemaken. Op de bel drukken helpt niet. Om binnen te komen als vreemde hangt er nu een telefoon om degene die men bezoekt te bellen. Van bedrijvigheid is weinig over. De auto's bij de ingang geven aan, dat er nog steeds directieleden zijn. Wanneer er wordt open gedaan is de ontvangst als vanouds. Hartelijk hoewel een zekere matheid in de atmosfeer hangt. Het einde lijkt nabij. Had je vroeger een dag nodig om na lange tijd bij te praten kan dit nu in een uur of zo. Tien mensen die omzien naar een ander kantoor hadden de moed nog niet opgegeven. Het nieuwe kantoor, dat zij op dat moment voor ogen hebben staat op het vroegere terrein van de Holland Amerika Lijn aan de De Ruijterkade, waar heel, heel vroeger passagiersschepen vertrokken met bestemming Amerika en nu in gebruik als hotel. Maar helaas was dit dromen met de ogen open. De passagiersschepen zullen terugkomen waren de plannen, die inderdaad zijn uitgekomen. Deze laatsten der Shell Tankerianen verdwenen echter in het Shell gebouw om op te gaan in de menigte.

Onze Rederij BV kwam helaas niet terug in de gebruikelijke golfbewegingen van de Maatschappij politiek. Twee directeuren met hart voor de zaak vochten tot het uiterste. De eerste verdween naar een echte rederij met sleepboten. De laatste mocht het licht uitdoen. Tijdens de 'opheffingsvergadering' met borrel en drankje sprak hij met gebroken stem aan het eind van zijn rede het grafgedicht uit. Een echte directeur. Verder had wat mij betreft niemand meer hoeven spreken.

Voor mij was het genoeg geweest.

Uit: Verhalen van toen... van Jan Aartsen