ss Conchita

Onze planner

De oude grijze planner vormde, zo leek het voor de argeloze toeschouwer, binnen Onze Rederij de belangrijkste schakel van het in de vaart houden van Onze schepen. Hij regelde sinds de grijze oudheid de plaatsing en aflossing van de vier hoogste rangen aan boord.

Binnen de kantoororganisatie was hij langzaam met hen opgegroeid. Opklimmend van eenvoudig planner van de laagste rangen schoof hij zijn leven lang al met deze eveneens in rang opklimmende mensen, die zo nodig van en aan boord moesten om een schip in de vaart te houden. Hij was de vertrouwenspersoon geworden voor deze groep werknemers en hun families. Hij kende ze van haver tot gort. Hij had bijvoorbeeld met hen meegeleefd bij het doen van examens voor hogere rangen. Niet direct vanwege de angsten, teleurstellingen en vreugden bij het al of niet behalen van een diploma. Nee, hij keek alleen met heel andere ogen naar deze en al die andere verstorende factoren, dat hij noodgedwongen als randgebeuren beschouwde. Hij keek met de ogen van een man die vooruit blikt en alle mogelijkheden van een hernieuwde inzetbaarheid na het studieverlof reeds had uitgedacht. Soms in de krappere personeelstijden zelfs met een vooruitziende blik op een vroegtijdige promotie voor betrokkene. Het resultaat bekend schoof hij dan deze medewerker naar een hogere rang, zelfde rang maar modernere of grotere tanker of voor leden van de machinekamerdienst naar een min of meer gesofisticeerde machinekamer en maakte de persoon in kwestie dan telefonisch wel of niet blij met een opstap. Haar blij maken kon nog niet. In de top rangen kwamen vrouwen nog niet voor. Konden ze met andere mensen aan boord overweg of waren er enorme onderlinge vechtpartijen te verwachten? Hij wist het en kende alle facetten van de goede en slechte zijden, familieomstandigheden, zwakke en sterke kanten en verder van 'zijn' mensen in relatie tot de plaatsing.

Natuurlijk diende hij overleg te plegen met de leden van de vaktechnische afdeling, die hem regelmatig probeerden te beïnvloeden met hun ideeën over de leiding van dit voor die bepaalde inspecteur uitzonderlijk belangrijk, speciaal schip, dat altijd opnieuw alleen door de beste mensen kon worden bevaren. Tot de kwaliteitspot leeg was en een schip noodgedwongen alleen nog maar door de naar hun mening minder of minst acceptabele zeelieden kon worden bemand. Na verloop van tijd interesseerden ze zich ogenschijnlijk steeds minder in de directe plaatsingsproblematiek totdat van hogerhand een nieuwe impuls werd gegeven aan de belangrijkheid van de juiste man op de juiste plaats. Onze planner had al die belangstelling van anderen die het allemaal zo veel beter wisten wel bekeken. Men kon hem wel eens beter inlichten over te verwachten verstorende invloeden. Zo belde hij eens een stuurman voor een radarcursus. Deze vertelde hem enige nattigheid voelende, dat hij stopte met varen. Wat Onze planner niet wist was dat de stuurman aan het einde van zijn verlof zijn directe chef zou worden. Hij was er stoïcijns onder geraakt en maakte zich naar buiten toe weinig druk over zijn werk en zorgen, hoewel zijn vrouw wel eens 's nachts was opgeschrokken wanneer hij in zijn slaap een op de vorige dag ontstaan personeelsprobleem herkauwde. Aan het ontbijt deelde hij dan desgevraagd mee, dat hij die nacht bij het morgengrauwen ineens het licht had gezien. Op kantoor was hij 's morgens nog steeds die gebruikelijke oude bekwame kalme medewerker die kijkend naar een op de vorige dag ontstaan dilemma zonder blikken of blozen ter plaatse direct een acceptabele oplossing op hoestte. De intensiteit van plaatsingen, aflossingen en andere beslommeringen was in al die jaren onderhevig geweest aan de gebruikelijke schommelingen van overschotten en tekorten afgezet tegen een uitbreidende vloot en in de laatste jaren steeds verder afbouwend aantal schepen.

In het begin was het gemakkelijkst gebleken. Waren ze weg, dan zag je ze normaliter twee of drie jaar niet terug. Maar de dienstperioden werden korter en korter, de verloven langer en langer. De mondigheid van 'zijn' mensen werd groter en groter naarmate de tijd vorderde. De afspraken met Onze bond werden steeds indringender qua secundaire arbeidsvoorwaarden. Op een gegeven moment kon men zelfs zijn vakantie van tevoren bespreken en hij moest er nog rekening mee houden ook. Aflossing voor geboorte, huwelijk, vakantie, operationele eisen, ziekte, etc. Het werd teveel om op te noemen. In den beginne gebruikte iedere planner kaartenbakjes met mensen op kaartjes. Kaartjes die tijdens de weg naar en van boord over diverse bureaus schoven nadat de planner op zijn eigen bureau al heen en weer schuivend de juiste aflosser tegenover het af te lossen naamkaartje had getoverd. Door de intensiteit en om een beter en vooral duidelijk algemeen inzicht te behouden voor zowel planner als andere geïnteresseerden zoals bazen en technische afdelingsfiguren ontwikkelde Onze planner samen met een van zijn vele bazen een nieuw, groot aan de wand hangend planbord, waarop alle 'vlotelingen' van de sectie Onze officieren op kaartjes voorkwamen met al hun gegevens zoals naam, rang en in de loop der jaren bijeengeveegde bekwaamheidsinsignes als diploma's, cursussen, soort bevaren schepen, soort machinekamers en verder alle andere belangrijke en minder belangrijke facetten die bij een plaatsing of aflossing van belang konden zijn. 'Soms in code vanwege de vertrouwelijkheid', meenden vele wantrouwende werknemers. Een bord, dat naarmate de jaren vorderden steeds ingenieuzer en alles omvattender werd. Hier kon niets met de vlootmedewerkers meer gebeuren, behalve dat af en toe wel eens een kaartje onder tafel waaide wanneer een niet aangekondigde bezoeker tijdens stormachtige perioden plotseling de deur opende.

In de jaren zeventig belaagde Onze planners een nieuwe indringend verstorende factor. Onze Ondernemingsraad deed zijn intrede. Een enorm lichaam was geboren. Alle rangen en standen van de vloot waren daarin met meer of minder mensen vertegenwoordigd. Voor haar zoveel maandelijkse bijeenkomsten was in verband met te nemen belangrijke beslissingen een quorum van leden nodig. Zoveel van die groep, zoveel van die andere groep, enzovoort, enzovoort. Natuurlijk zaten de meeste leden van Onze Raad op zee wanneer zo'n vergadering zich aandiende. De steeds krachtiger wordende discussies tussen planners, de thuiszittende OR secretaris en de zich met alles bemoeiende thuiszittende regelmatig hun secretaris bezoekende OR helpers gaven steeds meer voedsel aan de verslechterende verhouding tussen werkvloer en vloot vertegenwoordigers. Het vertrouwen in elkaar was weg. De toenmalige baas van de planners dacht het goed te doen en schonk de OR een eigen uiterst ingenieus planbord, waarop de OR de bewegingen van haar vlootleden kon volgen en zelfs zelf kon plannen voor een dergelijke vergadering. Ze hoefden alleen nog maar de planners in te lichten en de mensen waren al thuis zo moet de er achter gelegen gedachte van deze geste zijn geweest. Helaas werkte het toen ook niet zo. Enige tijd later volgde de opvolger van de bovengenoemde baas van achter zijn bureau op een redelijk objectieve en plannersonkundige afstand vol verwondering de ontwikkelingen voor de steeds dichterbijkomende OR bijeenkomst. 'Dat ging niet goed', dacht hij na weer eens een voorzichtige vraag aan een van zijn medewerkers te hebben gesteld. Beide partijen kwamen blijkbaar niet uit de planning en lieten één en ander naar zijn gevoel opzettelijk in de soep lopen. Men wachtte van beide zijden duidelijk op de big bang. De gevoelens van de chef waren in verband met zijn afkomst enerzijds erg vlootgericht, maar de planners waren nu zijn mensen. Daarnaast was de OR niet gecharmeerd over zijn komst geweest getuige het pamflet dat zijn eerste dag op kantoor zijn bureau had gesierd. Na een kort en indringend gesprek vlak voor Uur U met OR en planners was de zaak voor de toekomst geregeld. De verantwoordelijkheden lagen weer daar waar ze thuis hoorden. Het dure, ultieme planbordje verdween in een prullenbak. Natuurlijk gebeurde het toch op een gegeven moment, dat een van de leden niet op tijd thuis kon zijn, maar de OR was er nu gemakkelijk van te overtuigen dat men in het buitenland niets met een quorum te maken had, terwijl andere mogelijke potentiële leden nog steeds niet en dus ook niet door de OR midden op de oceaan konden worden afgelost. De aanslag op het grote planbord aan de wand was in dit geval afgewend, maar een andere ontwikkeling op planning gebied had zich geruime tijd hiervoor al aangeboden en was in voorbereiding. De klachten van de vloot maar ook van collega's aan de wal op allerlei gebied werden simpel teruggebracht op het verkeerd omgaan met mensen door de personeelsafdeling. De computer was in opmars en het moest een kleinigheid zijn het werk te computeriseren. Alle menselijke en werk problemen waren dan over. Dat was de achterliggende gedachte en het motief van de personeelschef geweest om de directie te overtuigen van het nut van een personeelscomputer.

Met zo'n 6000 mutaties per jaar was een financieel buitenkansje eveneens binnen bereik. De aanstaande automatische planner kreeg de overigens zeer toepasselijke naam 'CAPTAIN'. Naarmate het moment van oplevering naderde maakte iedereen buiten de personeelsafdeling, met de OR voorop, zich druk of er in de computer wel of niet een bepaald kruisje achter iemands naam mocht komen staan. Het kon in dit verband wel eens een (conduite)verwijzing zijn. Binnen de sectie lagen de prioriteiten anders. Een onbloedige strijd ontstond tussen baas en medewerkers en medewerkers onderling over wie wel en wie niet een eigen of een gezamenlijk beeldscherm zou krijgen of hoeveel stuks er per vak onderdeel zouden worden geplaatst. Onze planner maakte zich geen zorgen over dat kruisje. Dat kon hij wel zonder computer onthouden. Overigens zette hij geen kruisjes, dat deden uiteindelijk anderen. Onze planner en met hem al zijn serieuze collega's maakte zich meer zorgen over de ontwikkeling van het plansysteem, terwijl de reis afdeling met groeiende onrust de ontwikkelingen daar aanschouwde. De analist zelf nam regelmatig deel aan de programmering en meende allerlei shortcuts in de planningcyclus te kunnen aanbrengen onder het mom van de mens is er voor de computer in plaats van omgekeerd. Kortgezegd een half jaar na oplevering stond het, intussen toch maar voor de zekerheid in ere gehouden planbord aan de wand nog steeds in het middelpunt. Een op de steiger aangekomen werknemer brak net voor de valreep zijn rechtereen been en verdween richting ziekenhuis. Via de computer kon hij alleen na een dienstperiode aan boord van twee dagen richting huis.

Na het aantonen van deze zoveelste onmogelijkheid werd een aantal ingrijpende vereenvoudigingen doorgedrukt.
De achterliggende gedachte van de leiding, dat het aantal planners en andere medewerkers in de sectie in aantal konden verminderen bleek eveneens onuitvoerbaar. Het leven na 'Captain' zag er inderdaad anders uit. De financiële afdeling die aan het eind van de computer de mutatiegegevens in plaats van op tientallen met de hand te verwerken formulieren en kaartjes nu netjes op een magnetische band kreeg aangeleverd werd kleiner en kleiner. De ene formatieplaats na de andere verdween wegens overcompleet. Natuurlijk verminderde de plannerssectie in aantal, maar dat was meer een gevolg van de in die tijd indrukwekkend en vrij snel afnemen van de activiteiten en het vlootbestand dan als gevolg van het in dienst treden van de geprogrammeerde 'Captain'. Overigens was de dag voor de oplevering een gezellige dag voor de afdeling ondanks de toenemende zorg over de onmogelijkheden van de programma's. Het normale werk lag stil en het hoofd gaf toestemming om op alle redelijk mogelijke manieren de computer op te blazen. Dat bleef wel uit maar volgens een van de medewerkers verscheen wel op een gegeven moment de hulproep: 'Call out the marines' op het scherm. Voor Onze planner ging ondanks de computer het leven verder. Hij manoeuvreerde nog steeds als vanouds als een volwaardig kapitein en altijd even kalm tussen de 'klippen' van zijn belagers en naaste familie door met het belang van Onze rederij en het belang van zijn mensen voor ogen. Hij was toch wel verheugd bij de te weinig voorkomende schouderklopjes en reageerde schouderophalend op de soms toch wel volledig uit de hand lopende uitlatingen van vaak onder stress staande bellers. Tijdens zijn afscheid en later tijdens andere bijeenkomsten viel het hem op, dat de onplezierige bellers en belsters van toen heel aardige mensen waren en allang geen rancune meer hadden, wanneer ze dat al hadden gehad.

Alles is dus toch betrekkelijk. Ook het plannen van personeel.

Uit: Verhalen van toen... door Jan Aartsen

Opmerking:
Aad van der Graaf helaas in Juni te vroeg gestorven was deze planner.